bombina variegata

Vanmorgen heb ik een kikkerbeest door mijn grasmaaier gemaald. Het duurde even voor ik doorhad dat daar een amfibie voor mijn zelftrekker lag te liggen en toen ik het doorhad, was het te laat. Hij lag met zijn pootjes omhoog, buikje bloot (zwart–rood met gele vlekjes, dat zag ik nog net). Ik troostte mij met het idee dat het beestje dood was, want waarom zou-ie anders met de pootjes omhoog en het buikje bloot gaan liggen?
Ik heb het even voor u opgezocht, beste lezer. Het was geen kikker, maar een geelbuikvuurpad, bombina variegata. En volgens mijn boekje gaan die inderdaad op hun rug liggen als ze een dreiging voelen aankomen. Dom, natuurlijk, personlijk zou ik mij zo snel mogelijk uit de voeten maken als daar een grasmaaier komt aanrollen. Maar ik ben dan ook geen geelbuikvuurpad.
Omdat mijn grasmaaier zo’n hels kabaal maakt, heb ik niets gehoord dat op verbrijzelde botjes en verscheurd paddenvlees wees en onder ons gezegd, het interesseert mij eigenlijk geen snor.
Uit een vorig stukje hebt u, beste lezer, ongetwijfeld onthouden dat ik geen blijf weet met kikkerlijkjes (en dus evenmin met paddenlijkjes). Ik heb de restanten van deze geelbuikvuurpad dus maar begraven tussen twee lagen versgemaaid gras in onze gft-bak.
Morgenochtend wordt die bak opgehaald. Intussen zijn wij schampavie naar onze vakantiebestemming.
Ik hoop dat de Grote Paddengod het mij kan vergeven.

Geef een reactie

Opgeslagen onder Zonder categorie

Over Jan

Recent viste ik uit een boekenbak op de rommelmarkt een boekje met dvd, getiteld ‘Dag Jan’. Met name Jan Wauters, minzaam glimlachend op de cover. Jan Wauters was voor de journalistiek wat Hugo Claus voor de literatuur betekende. Toen ik net afgestudeerd was, heeft hij mij op de sportredactie van de toenmalige BRT ongeveer een jaar onder zijn vleugels genomen. Ik leerde van hem dingen die ik de rest van mijn journalistieke leven heb meegedragen. De zorg voor taal, de afschuw van clichés, het kritisch doordenken en de brede kijk op de wereld. Ik vergeet nooit wat hij op een dag zei – we zaten in een Portugees restaurant, want Jan hield van goede spijs en drank: ik heb respect voor mensen, maar ik heb geen talent voor onderdanigheid. Dat laatste is een uitspraak van Henriette Roland Holst. Ze is gaandeweg ook mijn lijfspreuk geworden, maar ze heeft de laatste jaren enkele deuken gekregen.

Geef een reactie

Opgeslagen onder Zonder categorie

Nog een?

http://www.youtube.com/watch?v=vLbxek5IbB0&feature=related

Geef een reactie

Opgeslagen onder Zonder categorie

Les feuilles mortes

Een van mijn favorieten:

http://www.youtube.com/watch?v=kLlBOmDpn1s

 

Geef een reactie

Opgeslagen onder Zonder categorie

Wijlen de kikker

Enkele dagen geleden vond ik een dode kikker in onze vijver. In spreidstand, zeg maar, zoals je weleens een lijk ziet dobberen in een crimi op tv. Toen ik hem met mijn schepnetje uit het water haalde, gaf hij geen kik, hij was dus wel degelijk kikkerdood (bovendien zag hij er zeer bleekjes uit).

Wat doet een mens met een dode kikker? Ik heb daar geen ervaring mee.

Een dode vogel, bijvoorbeeld door een kat om zeep geholpen, wil ik wel eens in het maisveld (min of meer tegenover ons huis) kieperen op een moment dat ik zeker weet dat niemand mij ziet. Want geef toe, het is geen zicht.

Een dode vogel kan, breed geïnterpreteerd, nog als een soort bemesting worden beschouwd. Maar wat als dat maisveld verkaveld wordt voor woonhuizen? Waar moet ik dan met mijn dode vogels heen? Jonge vogels zonder vliegervaring willen zich namelijk weleens te pletter vliegen tegen onze ramen. Ik kan ze toch niet over de haag kieperen bij de buurman (al is zo’n bizar soort humor mij niet vreemd, ooit kieperde ik een reusachtige en vastgevroren hondendrol van onze bouvier over de muur bij de buren toen we nog in Gent woonden. Het was putje winter en het was niet kwaad bedoeld, maar ik heb me wel een breuk gelachen.)

Maar mijn buren mogen gerust zijn, ik zal geen dode vogel over de haag kieperen. Dus ook geen dode kikker.

Wat ik dan met het kikkerlijk gedaan heb? Een beetje radeloos (ik had nog nooit een kikkerlijk begraven), heb ik hem in onze gft-bak gedeponeerd, in afwachting van de volgende ophaalbeurt. Ik zou hem bij gelegenheid wel toedekken met gras, onkruid en andere tuinrommel zodat de ophaaljongens (m/v) niet zouden schrikken, dacht ik.

Toen ik vanmorgen een rest sla, paprika en zo in de bak wilde kieperen, zag ik hem liggen, wijlen de kikker. Bedolven onder een honderdtal, wat zeg ik, duizendtal maden: wriemelende kleine witte hyperkinetische wormpjes die het kikkerlijk aan het verhapstukken waren. Vies, buitengewoon vies.

Rest de vraag, hoe de kikker aan zijn einde is gekomen.

Eerlijk gezegd verdenk ik onze tuintrol, Prosper. Doorgaans zit-ie steenkoud voor zich uit te staren (hoewel ik hem eerder al eens verdacht van lustgevoelens voor het eendje Kwik – zie verder), maar met trollen weet je nooit. Trollen hebben mij in het beroepsleven al eens maagzuur gegeven.

Geef een reactie

Opgeslagen onder Zonder categorie

Patatjes

Zouden de dapperen die in Wetteren een wetenschappelijk aardappelveld kwamen vernielen – niet gehinderd door enige wetenschappelijke kennis terzake en met behulp van een handvol clowns uit Noord-Frankijk – beseffen dat er voor deze manier van handelen (met geweld je mening opdringen aan anderen) een -isme bestaat? Fascisme, met name. (Niet te verwarren met nazisme, voor alle duidelijkheid. Bij gelegenheid eens opzoeken kinderen, desnoods op Wikipedia.)

Gelukkig laat de wetenschap zich niet muilkorven. Dat weten we, sinds Galileo (ook even opzoeken, kinderen).

Geef een reactie

Opgeslagen onder Zonder categorie

Mercedes

Waarom ik nooit ofte nimmer nog een Mercedes zal kopen? Het is een roestbak, daarom. Maar ik wil het verhaal ook een beetje kaderen. Vandaar deze aanloop, voor ik terzake kom.

Pakweg vijftien jaar geleden (ik kan er een jaar naastzitten, maar ik heb de papieren niet bij de hand en ik heb ook geen zin om ze te gaan zoeken) kochten mijn vrouw en ik een Mercedes Vito bij X in Lochristi (de naam van de garage laat ik veiligheidshalve achterwege). De verkoper was wat je een ‘gladde jongen’ kunt noemen. Bij zijn tweede bezoek ten huize sprak hij ons al met de voornaam aan enz.

Dat was einde augustus. De ‘wachttijd’, zei de verkoper, zou een maand of twee kunnen duren.  Toen ik in november nog niets had gehoord, belde ik hem op en hij zei dat hij me meteen zou doorverbinden met een secretaresse die op de hoogte was van de planning. De dame in kwestie viel kompleet uit de lucht, wist van toeten of blazen.

In december werd de Vito eindelijk geleverd, rechtstreeks naar het aanpassingsbedrijf – tevens Fiat-verdeler – waar er een rolstoellift zou worden gemonteerd.

Ondertussen reden wij nog met een Opel Vectra die zo goed als verkocht was. Ik telefoneerde naar de Mercedesverkoper met de vraag of ik voor enkele weken een vervangingswagen kon krijgen. Dat kon ik maar beter aan de Fiatgarage vragen, zei hij.

En nu terzake.

Pakweg twaalf jaar geleden doken de eerste sporen van roest op.  Dat was bijzonder vervelend want mijn vrouw (rolstoelgebruiker) en ik kunnen die auto geen dag missen. Op een gegeven moment praatte ik erover met mijn vaste garagist, die mij adviseerde om met mijn roestprobleem naar de hoofdverdeler te gaan, aan de Vliegtuiglaan in Gent.

Ik daarheen.

Waar een man elke roestplek (zowat wekelijks kwam er een bij) fotografeerde en met de meetlat opmat. Toen ik in zijn bureau de nodige formulieren ging ondertekenen, zag ik een stapel papieren liggen. “Tja, u bent niet alleen”, zei hij. “Dit moet nog allemaal naar de hoofdzetel in Brussel”.

Had hij die dag mijn auto op de brug gezet – wat hij niet deed – dan had hij gezien dat in het chassis onderaan een roestig gat zat, een vuist groot. Dat gat heb ik pas achteraf ontdekt, toen ik bij een carrossier ging.

Ik kreeg een telefoontje van de man van de Vliegtuiglaan, die mij zei dat “Brussel” mijn dossier had afgekeurd. Ik vroeg uitdrukkelijk naar een naam, een telefoonnummer, wie of wat of waarom, maar dat kon (lees: wilde) hij mij niet zeggen.

Naar de carrossier dus, een eenmansbedrijf in mijn gemeente. De man deed de job perfect, ook al kostte het mij ongeveer twee maandlonen.

Na enige tijd verschenen er nieuwe roestplekken. Omdat ik niet opnieuw een hap uit onze spaarboek wou nemen, ging ik dit keer bij een carrossier zowat dertig kilometer verderop, die de klus even perfect klaarde voor ongeveer de helft van die eerste prijs.

Voor ik het vergeet: enkele jaren geleden waren we met ons gezinnetje een weekend aan zee. Plots rook ik iets als verbrand plastic, en mijn zoon zei: “papa, er komt rook uit uw stuur.” Om een lang verhaal kort te maken: de hele micmac achter het dashboard was verbrand, en moest dus vervangen worden. Een dure zaak.

Intussen heeft de centrale vergrendeling  het begeven en de radio doet het niet meer. Een mens zou zo’n wrak voor minder naar de pletmachine voeren.

Enkele weken geleden moest ik door steenslag een nieuwe voorruit laten plaatsen. Bij Carglass zouden ze mij normaal gezien een levenslange garantie op de nieuwe ruit gegeven hebben, maar dat kon nu niet: aan de onderkant  van het kader was de carosserie te zwaar verroest, zei de man.

Een mens begint zo stilaan wat scherper te kijken naar andere Vito’s, en het begon mij op te vallen dat er eigenlijk ontzettend veel rondrijden met zo’n schurftige roestplekken.

Voor ik het vergeet: enkele weken geleden reed ik weg van huis en toen ik aan een kruispunt wilde afremmen, gebeurde er niets. Ik bedoel: de auto bolde gewoon door. De rem reageerde gewoon niet. Met de daver op het lijf liet ik een takelwagen komen en de auto naar de garage brengen. Constructiefout? Roest? Uitleg? Excuus? Niets van. 

Misschien een groepje oprichten, wat mails rondsturen en zo? Mensen verwittigen die zouden overwegen een Vito te kopen? Time to bite back?

Misschien laat het u onverschillig, beste lezer, maar ik heb het gevoel dat Mercedes mij al jaren als Jan Lul behandelt. En daar krijg ik het vliegend schijt van.

Geef een reactie

Opgeslagen onder Zonder categorie

Over religie

Ik ben katholiek opgevoed.

Dat wil zeggen: in de prille jaren van mijn lagere school draafde een non in zwart habijt regelmatig door de gangen naast de klassen en ze ramde hevig op de deur van elke klas en de non die vooraan stond zei dat dat Zwarte Piet was en dat die ons in zijn zak zou meenemen als we niet braaf zouden zijn. Ik was doodsbang, diep onder de indruk. Dat was pakweg halfweg de jaren vijftig, en we moesten de tien geboden en de catechismus kunnen afdreunen zoals de kinderen in de koranscholen dat nu ook moeten doen.

Toen ik mij op mijn eerste en later op mijn plechtige communie moest voorbereiden, werd ons verteld dat die hostie vlees was en dat we daar zeker niet mochten op kauwen want het was het lichaam van Christus en als we er op kauwden zou er bloed kunnen vloeien en dan waren we voor eeuwig verdoemd. Dat werd ons verteld en wij geloofden dat, dus draaiden we die hostie een beetje rond in de mond en probeerden ze in één hap door te slikken. Dat viel niet altijd mee, want het ding smaakte naar niks. Het lichaam van Christus?

En we moesten al onze zonden opbiechten in de biechstoel. Toen ik als tiener in het college zat, en omdat ik vond dat ik eigenlijk niets mispeuterd had, verzon ik maar wat. Want anders zou ik nooit in de hemel geraken. Dat maakte indruk. Want die hemel, daar zaten de engelen en de heiligen en daar kregen we rijstepap met gouden lepeltjes en zouden we eeuwig leven in het licht van de Heer.
Zoveel keer gelogen, zoveel keer gevloekt, dat soort dingen.

De priesters, die ik maar door een gerasterd venstertje zag, hadden zonder uitzondering bijzonder veel belangstelling voor onze onkuise gedachten. Ik had een rijke verbeelding, dus verzon ik maar wat, dan was ik ervan af met een paar weesgegroeten en onzevaders.

Gelukkig was ik ‘extern’. Een van onze biechtvaders was een jezuiet van Hollandse origine, en als de ‘interne’ jongens in zijn biechtstoel in de knoop geraakten met het antwoord op zijn doordringende vragen, dan moesten ze ‘s avonds eens naar zijn kamer komen. Hoe jonger ze waren, hoe liever hij ze had. Omdat hij moddervet was, had hij de bijnaam ‘de zak’ en de jongens vertelden dan later dat ze hun broek hadden moeten laten zakken en dat hij met hun pietje speelde en het streelde en dat hij zei dat hun kwakje nodig was voor de vergeving van hun zonden.

Volledigheidshalve moet ik hier aan toevoegen dat een geestelijke het met mij (ik was een jaar of twaalf-dertien) ook geprobeerd heeft. Toen ik hem aansprak over enkele Grote Levensvragen, liet hij mij tijdens de middagpauze naar zijn kamer komen. Plots toverde hij zijn blote lul tevoorschijn, en probeerde mijn hand er naartoe te brengen. Ik kon mij losrukken en rende de kamer uit en dat was dat.

Ergens ben ik mijn geloof kwijtgeraakt, al weet ik niet precies wanneer ik het kantelmoment moet situeren. Een jongmens krijgt stilaan een ruimere blik op de wereld en gaat dat afwegen tegen de dogma’s die hij als tiener door de strot kreeg geramd, zoiets?

Maar goed, stilaan ging ik balanceren tussen agnosticisme en atheïsme. Dat heeft heel lang geduurd, en ik probeerde er langs filosofen en schrijvers achter te komen, welke weg ik moest kiezen. Sartre, Camus, Kruithof, Vermeersch en anderen.

Later – ik maak nu even een reusachtige sprong ik de tijd – kreeg ik belangstelling voor sterrenkunde. Ik las artikels en boeken over de oerknal, het uitdijende heelal en dies meer en ik begon me af te vragen of daar ooit een wildbehaarde, grijze man van tussen de sterren en planeten zou kunnen opdoemen en brullen “Hélaba, wat is dat hier?”

Neen dus, tot bewijs van het tegendeel.

Ik herinner mij een tv-gesprek met ex-jezuiet en moraalfilosoof Etienne Vermeersch. “In de bijbel staat ‘God is almachtig’, hij kan dus alles. Er staat ook ‘God is liefde’, dus hij ziet ons graag. Er staat ook ‘God weet alles’, dus hij kent ons allemaal persoonlijk. Dan moet ge mij nu toch eens een paar dingen uitleggen”, zei Vermeersch.

Hij had het over de manieren waarop en waarom mensen andere mensen haten, proberen uit te roeien, rijke mensen arme mensen uitbuiten, in naam van God oorlog gaan voeren enzovoort.

Dat Gods wegen ondoorgrondelijk zijn en dat hij het zelfbeschikkingsrecht van zijn schepsels respecteert, daar trap ik al lang niet meer in. Zo kan je alles uitleggen.
En toch zijn de pausen van Rome er eeuwenlang mee weggekomen. Ik vind dat zeer bizar, temeer omdat er onder de volgelingen van de katholieke kerk veel mensen zijn met een hoog intellectueel gehalte.

In de bijbel en in de koran staat – min of meer in dezelfde bewoordingen: alleen wie in mij gelooft, zal het eeuwige leven krijgen. Dat is niet zo banaal als het op het eerste gezicht kan lijken. Want het betekent dat wie niet ‘in mij’ – dus God, of Allah – gelooft, niet in de hemel zal geraken. Geloof in mij, of je bent eeuwig verdoemd. Zo simpel is dat.

Even doordenken: gore individu’s (ik noem maar een paar voorbeelden: Mussolini, Pinochet, Franco, Milosevic, Osama bin Laden, Bush) die de leer van de Kerk van Rome of van de islam volgen, kunnen na hun dood het eeuwige leven tegemoetzien. Een eenvoudige sterveling die heel zijn volwassen leven probeert te doen wat moreel goed is maar niet gelooft in niet-bewijsbare dogma’s, zal branden in de hel of een vergelijkbare plek van verdoemenis. Kom nou.

Nog even een sprong.

Recent las ik het boek ‘Van God los’ (‘The End of Faith’) van de Amerikaanse filosoof en professor Sam Harris.

Harris begon zich zoals de meeste Amerikanen na de aanslagen van nine-eleven af te vragen “Waarom haten ze ons zo?” En, als we even doordenken ook: “Waarom haten wij hen?”

Ik wil meteen maar zeggen: Harris is geen overjaarse hippie die op de barricaden staat te brullen dat God niet bestaat. Hij is een nuchtere, zakelijke, soms ietwat saaie wetenschapper die de ratio (= redeneringen, argumenten) gebruikt in zijn zoektocht naar antwoorden. Kortom, een eerlijke intellectueel en nergens kortzichtig.

Zijn boek begint met een verhaaltje over een jongeman die onder zijn jas een forse springlading verborgen heeft en daarmee op een bus stapt met Joodse kinderen. En zichzelf en die kinderen blijgemoed de lucht laat invliegen. En wiens daad even later door zijn familie wordt bejubeld.

Harris zoekt een verklaring voor die blijdschap.

Om een lang verhaal kort te maken: als iemand gelooft dat de woorden in de koran letterlijk uit de mond van Allah komen, en als die woorden op de juiste manier worden geïnterpreteerd, dan geraak je als imam of mollah al een heel eind weg. Niet-gelovigen mogen vermoord worden, en volgens sommige fundamentalistische schriftgeleerden moét dat zelfs. En: tegen niet-gelovigen mag je liegen.

Hola, zegt Harris, da’s een beetje makkelijk! Laten we die koran nu even naast de bijbel leggen (hij maakt ook een uitstap naar andere godsdiensten, maar die laat ik terzijde) en zoeken naar overeenkomsten en gelijkenissen. Akkoord, in de beleving van het geloof en de interpretatie van de teksten uit de bijbel en de koran zit een décalage van pakweg vijf eeuwen, maar de basis is niet veranderd.

En dan krijg je dit.

Dat onverdraagzaamheid (en dus haat, en dus moord en dus oorlog) in de monotheïstische godsdiensten ingebakken zit. En dat godsdienst dus de voornaamste oorzaak is van de meeste ellende die we op aarde meemaken.

Nu kan je zeggen: jaja, dat wist ik wel. Maar Harris legt het zo glashelder uit met historische feiten, bronvermeldingen en letterlijke citaten uit ondermeer de bijbel en de koran dat je bij momenten toch even naar adem gaat happen. En je gaat afvragen of onze kennissen die elke zondag getrouw naar de eucharistieviering of op vrijdag naar de moskee gaan, dat soort dingen niet weten of niet willen weten. En waarom ze dat niet weten of niet willen weten.

En dan begrijp je stilaan beter (hoewel je dat eigenlijk al lang wist) waarom de kruisvaarders in naam van God (‘Dieu le veut’) Jeruzalem wilden bevrijden en onderweg elke Joodse nederzetting die ze tegenkwamen, uitroeiden. Waarom de Duitsers onder de banier ‘Gott mit uns’ ongeveer zes miljoen Joden uitmoordden en achteraf beweerden dat ze ’t niet geweten hadden terwijl er honderdduizenden ambtenaren betrokken waren bij de administratieve en logistieke organisatie van de Endlösung.

Waarom Pius XII niets deed om de deportatie van Joden uit Italië te verhinderen. Sterker nog: waarom Adolf Hitler nooit geëxcommuniceerd is (terwijl de lichtjes dissidente wetenschapper en sterrenkundige Galileo Galilei pas in 1992 kerkelijk gerehabiliteerd werd), waarom tientallen top-nazi’s na het einde van de Tweede Wereldoorlog met een diplomatiek paspoort van het Vaticaan naar Zuid-Amerika konden ontkomen, waarom de meeste – niet alle – Palestijnen en nogal wat Arabieren de Joden zo hevig haten dat jongemannen blijgemoed op een bus stappen omdat een schriftgeleerde hen deed geloven dat meervoudige moord hen het eeuwige leven in het aanschijn van Allah garandeert en dat hun familie juichend op straat komt omdat die jongemannen zich, samen met enkele tientallen passagiers, aan bloederige flarden lieten rijten.

En waarom de president van het machtigste land ter wereld elk publiek optreden besloot met ‘God bless America’. En vervolgens ten oorlog trok.

Onverdraagzaamheid (gevoed door betweterigheid en gelijkhebberigheid) zit ingebakken in de heilige schriften van de monotheïstische godsdiensten, leidt onvermijdelijk tot haat en bijgevolg vroeg of laat tot moord en oorlog. In het boek van Sam Harris worden op een droge, zakelijke manier argumenten aangereikt om de mechanismen van de haat beter te begrijpen. Althans, om er minstens eens over na te denken, zonder vooroordelen.

Natuurlijk is het onzin dat iemand naar de eeuwige gelukzaligheid wordt gekatapulteerd omdat hij een bus schoolkinderen uitmoordt. En er in zijn hiernamaals nog enkele tientallen maagden bovenop krijgt. Dat gelooft toch geen zinnig mens?  Maar hebben de pausen van Rome ons niet eeuwenlang als onwrikbare dogma’s voorgehouden dat een maagd een kind kan baren (al kwam er ergens een duif aan te pas, als ik mij goed herinner), dat Christus een dode weer levend kon maken, dat diezelfde Christus op het water kon lopen en hoewel dood en begraven ten hemel is gerezen? En dat zouden we dan wél moeten slikken? Toch hebben we het eeuwenlang geslikt.

En heeft de katholieke Kerk tot enkele eeuwen geleden niet mits kleine en grote tortuur talloze mannen en vrouwen dingen laten bekennen die ze niet gedaan hadden, hen vervolgens laten radbraken, vierendelen of op de brandstapel laten doodroosteren in de schaduw van het kruis? Lang geleden? Te lang geleden? Of schiet ons historische geheugen een beetje tekort als het ons goed uitkomt?

Aan de recente mensenzee op het Sint-Pietersplein (plus de kijkcijfers) was te zien dat zovele mensen liever de prietpraat van een man in een karnavalspak geloven dan zelf eens zonder slogans, nuchter en rationeel na te denken en te argumenteren. Of minstens een poging doen.

En misschien zouden we dan ook tot een begin of een poging tot een antwoord kunnen komen, waarom de Kerk al tientallen jaren tolereert dat geestelijken kinderen in hun broekje zitten. Heeft er niks mee te maken? Heeft er heel veel mee te maken. Even nadenken, graag. Het gaat over macht en godsdienst, zo simpel is dat.

Waarom de huidige paus Ratzinger zijn voorganger Johannes Paulus II (hierna genoemd JP2) nu in ijltempo zalig en dus heilig wil verklaren, is mij een raadsel (kennelijk niet voor de duizenden gillende en krijsende fans op het Sint Pietersplein en aanpalende straten die met een nat broekje en tranen in de ogen naar het geprevel van een oude man op een balkon staan te luisteren).

In een paginabreed opiniestuk in DS van vorige zaterdag, geven Dirk Verhofstadt en Peter Nissen enkele argumenten waarom dat eigenlijk niet kan. Ondermeer de zaligverklaring van de Kroatische aartsbisschop Stepinac (die de dictator en massamoordenaar Ante Pavelic – verantwoordelijk voor de moord op bijna 800.000 mensen – steunde), het feit dat bevrijdingstheologen aan banden werden gelegd en vervangen door conservatieven, het verzet van JP2 tegen het gebruik van voorbehoedsmiddelen (vooral condooms) in Afrika, waar in de jaren ’70 en ’80 miljoenen mensen stierven ten gevolge van aids.

En ten slotte: de cultuur van geheimhouding waardoor gerapporteerde gevallen van seksueel misbruik door geestelijken, binnen de Congregatie van de Geloofsleer moesten gehouden worden (en in bijna alle gevallen in de doofpot gestopt werden). Weinig mensen weten (Verhofstadt en Nissen weten dat wel) dat JP2 op 30 april 2001 daartoe de brief ‘Motu Proprio Datae Quibus Normae De Gravioribus Delictis’ schreef, waardoor het seksueel misbruik van kinderen de facto aan het gewone gerecht onttrokken werd. En de daders met een gerust geweten konden slapen, want er zou toch niets gebeuren.

Mocht de wildbehaarde, grijze man tegen alle verwachtingen in toch ooit tussen de sterren en planeten opduiken, dan zou hij wel een en ander mogen uitleggen. 

Vind ik.

Geef een reactie

Opgeslagen onder religie

Gruwel

Ook naar de gruwel, Eurosong geheten, gekeken? Ik wou het aanvankelijk niet doen, maar mijn rechteroogbol werd er naartoe gezogen. En dan blijf je kijken. Ik beken schuld en ik schaam me dood. Een soort voyeurisme, eigenlijk. Wat een tekstuele wansmaak, w…at een kutmuziek, kortom wat een brol. De meeste zangers (m/v) kunnen geen toon houden en zelfs als ze Engelstalige nummers zingen, kun je ze nauwelijks verstaan. Visuele effecten en spastische dansers (m/v) kunnen de meeste acts nog een beetje staande houden, mede door het hysterische gegil van hun hersenverlamde fans onder het publiek. Een zeldzaam nummer dat enige muzikale kwaliteit heeft, maakt geen schijn van kans. Tjakeboem-tsjakeboem-tsjakedoedewikewakkedoedeldoem. Da’s de norm. Kunnen we niet een actiegroep oprichten om dit soort entertainmentkots wettelijk van onze openbare omroep te laten bannen? En wedden dat u over pakweg een jaar niet meer weet wie er dit jaar (of vorig jaar, of het jaar daarvoor) gewonnen heeft? Of u godbetert het nummer nog kan nazingen – als dat al enig belang zou hebben, de vraag stellen is ze beantwoorden. De finale moet, o gruwel, nog komen. Ik denk dat ik dan misschien een lange nachtwandeling in het bos ga maken. Of gewoon over de wc-pot ga zitten kotsen als het te erg wordt. Ik heb een idee, bedenk ik plots. Laat Eurosong presenteren door Inuits in traditionele klederdracht, en verplicht de zangers (m/v) reglementair om hun nummers te brengen met een levende goudvis in hun mond. Dan kunnen we tenminste nog eens lachen. Oei, even tussendoor: de madam die nu net aan het tsjakeboemen is, is haar medeklinkers in de kleedkamer vergeten. Well, nobody’s perfect. De volgende zanger (ik kan dat beter, ik zweer het) zingt iets onbegrijpelijks in een of andere Balkantaal, doet iets met zijn heupen en wordt omkaderd door potige jeanetten in atletische kronkels. Hij maakt dus een grote kans om te winnen. Tsjakeboem.

Geef een reactie

Opgeslagen onder Zonder categorie

Staf

Staf was een fijne man.

In Gent had hij een frituur die tot de betere gerekend mocht worden en toen hij ze overliet, ging hij af en toe zijn dochter nog een handje helpen in haar eigen zaak. De liefde voor de friet, Vlaamser kan het toch niet?

Hij was -  als ik even een cliché mag gebruiken – een van de pijlers van Teku Kan. Allicht waren er jongeren die technisch begaafder waren dan hij, maar dat gaf niet. Leeftijd was aan Staf niet besteed. Als de sempai hem vroeg om les te geven, dan stond hij daar, als een rots. En als jongere snaken zoals ik totaal uitgeput met hun tong uit hun bek stonden te hijgen, dan zei Staf “allez komaan, alles uit de kast”. En dat deed je dan gewoon.  Kime was voor Staf geen ijdel woord. En na de training had je toch atlijd het gevoel dat je beter was dan voor de training.

Niet dat ik hem van nabij gekend heb, maar een training van Staf, die bleef aan je ribben plakken.

Staf kon mensen even hun grenzen doen verleggen, even boven zichzelf doen uitstijgen. Niet dat hij hogere diploma’s had, bijlange niet. Hij was ook niet de man van de lange babbels en af en toe vergat hij wel eens een naam. Maar hij kon op zijn eigen manier best gevoelig uit de hoek komen en jongere mensen inspireren.

Er mogen, wat mij betreft, meer Stafs in deze wereld rondlopen.

Oss, Sempai.

Gerrit

Geef een reactie

Opgeslagen onder Zonder categorie