Linda Rogiers (45) is een vertrouwd gezicht in Laarne. Iedereen kent de vrouw in haar rolstoel met dat kleine, witte hondje. “Ik zou nergens anders willen wonen”, zegt ze, “maar voor rolstoelgebruikers is het hier de hel op aarde.”
• Door Gerrit De Clercq
“Ik heb waarschijnlijk dezelfde ziekte als mijn moeder, maar de diagnose was nooit honderd procent zeker. Mijn moeder belandde vrij vroeg in een rolstoel, ze overleed toen ze 42 was. Mijn vader was en is een gepassioneerde duivenmelker en omdat mijn moeder rolstoelgebonden was, zorgde ik als oudste van de kinderen voor het huishouden, zo ging dat toen. Daardoor was ik ook misschien vroeger rijp dan andere kinderen. De jeugdbeweging, daar kon ik mij uitleven – eerst bij de Roodkapjes, daarna bij de KSJ. Er kwamen ook veel kinderen bij ons over de vloer, we speelden op straat…”
Mollig
“Als tiener kon ik al moeilijk mee in de turnles. Ze dachten dat dat kwam doordat ik mollig was, en mijn ouders hadden ook niet in de gaten dat er iets ernstigs aan de hand was. Ik heb vrij lang normaal kunnen stappen, maar diep vanbinnen wist ik eigenlijk al snel dat er iets grondig mis was. Ik kon er moeilijk over praten, maar na de geboorte van onze tweede dochter ging ik sterk achteruit. Ik was toen eenentwintig.“
“Ik kreeg hevige pijn in mijn nek mijn kinesist zag meteen dat er iets ernstigs aan de hand was: ik kon na de behandeling met moeite rechtstaan. Hij belde meteen mijn huisarts.”
“In ’87 ben lag ik een maand lang in het UZ in Gent. Het ene onderzoek na het andere. Dan nog duurde het jaren voor de dokters tot een voorlopige diagnose kwamen: spinale musculaire atrofie van het type Kugelberg-Welander, maar dat bleek dan ook weer niet helemaal zeker. Ze zeiden zelfs: gelukkig is het dat niet, want dan kwam je je bed niet meer uit.”
“Toen ik negenentwintig was, moest ik een rolstoel gaan gebruiken. Dat was een rot gevoel maar ze moesten mij ook geen leugens wijsmaken: ik had ook gezien hoe het met mijn moeder gelopen was. Ook al werd er bij ons thuis nauwelijks over gesproken, laat staan of het erfelijk zou zijn. De professor zei trouwens: of je kinderen hebt of niet, dat heeft er niets mee te maken.”
“De familie merkte wel dat er iets niet klopte, maar ze wisten niet goed wat ze moesten zeggen. Ze schrokken erg, dat wel.”
“Ik had vroeger heel veel vrienden, maar toen mijn toestand erger werd en gewoon samen een koffie gaan drinken al een probleem werd… Ze moesten mij in en uit de auto helpen, naar binnen rijden en zo, en na een tijd bleven ze dan gewoon weg, zo gaat dat. Let wel: ik heb nog een vriendenkring, maar veel kleiner.”
Wie jou op straat ziet, ziet meteen ook je hondje Shari.
“We zijn onafscheidelijk, hij is onvervangbaar. Zo’n hondje, daar kun je alles aan vertellen. Als hij kon spreken…”
“Ik ga veel met hem wandelen, en mensen spreken mij ook makkelijker aan als ik mijn hondje bij me heb. Als ze mij niet kennen, beginnen ze meestal eerst tegen mijn hondje te praten. Of tegen mijn man, als ze bijvoorbeeld de weg willen vragen. Ik kan dat begrijpen maar het steekt. Ik kan dan mijn mond niet houden, ik antwoord altijd als eerste.”
“Met kinderen heb ik geen problemen, die zijn nieuwsgierig en mogen mij alles vragen. Maar er zijn ook mensen die maken dat ze weg zijn als ze mij zien komen. Zijn ze bang dat ik bij hen zal binnenrijden of wat?”
Ga je wel eens een pint pakken?
“Ik mag niet drinken, ik moet rijden! (lacht) Maar ik ga wel eens op café, zeker weten. In café Terminus hebben ze een oprijplank gemaakt zodat ik binnen kan. Als ik op vrijdag van de markt kom, dan ligt ze klaar. Ze weten dat ik kom. En in St- Hubert is alles vlak, je kan er zo binnenriijden.”
“Ook uitstapjes doen we regelmatig. In feite zijn we ’s namiddags zelden thuis maar echt op reis gaan, dat lukt de laatste jaren niet meer.”
Woon je hier graag?
“Ik zou nergens anders willen wonen dan in Laarne, maar voor rolstoelgebruikers kan het niet erger zijn dan het nu is. De stoepen, de hobbelige kasseien…
Zonder hulp geraak je het dorp niet door. Als ik bijvoorbeeld naar het gemeentehuis moet, zoek ik de weg met de minste kasseien. Dat is meestal een grote omweg, voor ik aan het hellend vlak van het gemeentehuis geraak.”
“En ik hoor van het gemeentebestuur dat de kasseien zullen blijven, ook na de herinrichting van het dorp. Dan zeg ik: voorzie dan toch minstens een vlakke strook voor rolstoelers, maar ik vrees dat het bij kasseien zal blijven. Dat blijft dus schokken en daveren.”
“En dan zijn er nog de winkels en de banken waar je niet binnen kan, eigenlijk kan ik zelf geen boodschappen doen. En dat beetje zelfstandigheid, da’s nu net zo belangrijk voor mindervaliden. Maar je kan hier als mindervalide niet normaal functioneren.”
En de kerk?
“Zo’n gebouw, dat moet toch voor iedereen toegankelijk zijn? Ik wil daar zelfstandig kunnen binnenrijden, en dat is onmogelijk. Er ligt zelfs geen oprijplaat. Ik heb er zelf een maar ik vertik het om ze mee te nemen. Mijn man Omer heeft de pastoor er ook al over aangesproken. Die zegt: Ze komt toch niet naar de kerk. Dat is toch de zaken op hun kop zetten? Trouwens, naar begrafenissen wil ik zeker gaan. Ik ken heel veel mensen en een begrafenis, dat is erg belangrijk voor de sociale contacten.”
“De burgemeester heeft laten weten dat de toegang tot het kerkgebouw door het Masterplan mogelijk zou worden. De dorpel van het gebouw is eigendom van de kerk, maar de stoep errond is eigendom van de gemeente, vandaar.”
Ben je soms kwaad?
“Ik ben van nature optimistisch (lacht). Let wel, ik heb ook moeilijke momenten, maar die kan ik op mijn eentje aan of ik zet ze uit mijn hoofd als ik met mijn hondje ga wandelen. Ik zal niet gauw iemand lastigvallen als ik het moeilijk heb.”
“Maar als ik voor de zoveelste keer ondervind verdorie, weeral iets dat niet lukt, ik kan er weer niet op of door! Vuilniszakken die op de stoep de weg versperren, een vluchtheuvel die te steil is: het zijn soms kleine dingen, maar voor ons zijn ze dagelijkse kost. Dan wil ik wel eens vloeken, ja.”