28/10/2009

Receptje nodig?

Mijn favoriete maaltijdsoep

Dit is een Italiaans boerengerecht van origine, maar o zo fijn van smaak. Je kan het voor 75 procent vooraf klaarmaken, en zelfs de dag nadien nog eens van eten.

Wat je vooraf moet klaarzetten:

1 eetlepel olijfolie (of ietsje meer, maar niet overdrijven, de smaak mag niet gaan domineren)
1 teentje knoflook, geplet (ik kies altijd een flinke teen, ik ben nogal een lookfan)
2 uien, in ringen gesneden (ik snijd ze doorgaans niet flinterdun, ik houd van een stevige beet)
1 koffielepel korianderzaadjes (pletten, pletten, pletten en let op: koriander smaakt door, dus zeker niet meer dan een koffielepel)
2 wortelen, in staafjes gesneden (ik gebruik liefst stevig uit de kluiten gewassen wortelen. Snijd de staafjes op pakweg 5 cm lengte.)
Kippenborstfilet, in hapklare brokken gesneden (125 gr kan volstaan voor de modale carnivoor, maar ik durf wel eens het dubbele nemen en ik heb nog geen klachten gehoord)
1 eetlepel tomatenpuree (uit blik, en ik ben niet zo’n fan van die piepkleine blikjes. Ik gebruik één maatje groter, dan heb ik nog het overschot bij de hand om er een kwak bij te doen later)
1,5 liter kippenbouillon (of ietsje meer – van blokjes,  goed heet maken)   
Gnocchi (dat zijn pastaschelpjes – ik gebruik doorgaans ongeveer 200 gram, dat is zowat het dubbele van wat je in kookboeken vindt)
Mozarellakaas (75 à 100 gram, laten uitlekken en in blokjes snijden)
Peterselie (platte of gewone, maar zeker verse en fijngesneden)
Cayennepeper (halve theelepel, meer gebruik ik niet)
Beetje zout.

 Hoe doe je het? Ik gebruik een ruime wok, maar een andere diepe pan kan ook.

  1. Olie laten warmen, uien en daarna look erin kwakken. Een paar minuten laten stoven, voortdurend omroeren (mag niet aanbranden)
  2. Koriander erbij (let op: als je even niet oplet is hij aangebrand), gevolgd door de wortelstaafjes. Roeren, roeren. De wortelstaafjes zullen later wel zacht worden.
  3. Kippenstukken erbij, vuur ietsje verhogen en blijven roeren en omscheppen (kip mag niet bakken)
  4. Bouillon erbij (niet meteen alles, je kan straks nog bijvullen), gevolgd door de tomatenpuree. Roeren tot alles goed gemengd is.
  5. Zachtjes laten pruttelkoken, 15 tot 30 minuten (tussendoor even de zachtheid testen)
  6. Vlak voor de gasten komen: pasta erbij. Afhankelijk van het merk heb je gemiddeld 15-20 min. kooktijd nodig.   Zout en cayennepeper naar smaak.
  7. Vlak voor het opdienen: blokjes mozarella erbij (zodat hij lichtjes smelt, hou er rekening mee dat je ‘draden’ kan krijgen), peterselie erop (bij voorkeur platte peterselie maar de gewone kan ook)
  8. Serveer in diepe kommen (voorverwarmen!) en zet de wok midden op tafel op een flinke schotelverwarmer. Geef er stokbrook of ciabatta bij (ik koop die in de Colruyt, hoef je alleen maar nog even af te bakken)

Overschot? Daags nadien een flinke gulp nieuwe bouillon erbij (de pasta heeft het merendeel van de bouillon tijdens de nacht opgeslorpt) en je kan nog eens eten.
Tip: dit gerecht is ook uiterst geschikt voor een receptie.

 

 

13/10/2009

De slinger

Ik begrijp de boze reactie van Benno Barnard (krant van 13 oktober) op het opiniestuk van Paul Goossens (krant van 10 oktober). Het stuk van Goossens heeft mij ook geschokt, vooral omdat het zo wereldvreemd is. In het opiniestuk van Luckas Vander Taelen (30 september) dat oorzaak is van al die heibel, worden nochtans enkele pijnpunten gesignaleerd die de dagelijkse realiteit in Brussel weerspiegelen. Als geboren en getogen Brusselaar (met een handvol allochtone vrienden) herken ik mijn stad vandaag niet meer. De zielloze betonnering op het altaar van ‘Europa’ buiten beschouwing gelaten, zijn er gemeenten en wijken die ik bewust schuw. Dat sommige mensen van allochtone origine in getto’s geperst worden en bijgevolg niet de kansen krijgen die ze verdienen, is een sociaal drama dat niemand kan ontkennen. Maar het is even waar dat nogal wat mensen van allochtone origine – overwegend jongeren – diezelfde getto’s zelf koesteren en de kansen die ze krijgen, niet willen grijpen. Kansen op onderwijs, vorming, werk…

Je moet stekeblind zijn om dat te negeren.

Overigens is het beeld van Brussel dat Vander Taelen schetst, in mindere mate ook elders projecteerbaar. Neem nu Gent, waar ik dagelijks in het stadscentrum groepen jongeren van allochtone origine stoer zie rondhangen terwijl ze op dat moment op de schoolbanken zouden moeten zitten. Of waar je in ‘allochtone’ koffiehuizen (wat een vreselijke woorden, besef ik terwijl ik ze schrijf) nooit ofte nimmer een vrouw ziet zitten. Een en ander voorspelt weinig goeds.

In Antwerpen heeft een groep brulapen in maatpakken die zich het ‘Vlaams belang’ heeft toegeëigend, ondanks recente opiniepeilingen nog steeds een stevige poot aan de grond. En daar worden bijgevolg deelaspecten van het probleem nog steeds uitvergroot en in een verkeerde context geplaatst en vele bange blanke mensen slikken dat en verstandige politici vinden er maar geen passende antwoorden op.

Onverdraagzaamheid is al heel lang het voorrecht van een harde kern van blanke autochtonen, maar de slinger van de geschiedenis begint nu vervaarlijk ook in de andere richting over te hellen.

Eigenlijk is de kernvraag in heel dat chaotische debat waarin iedereen een beetje gelijk en een beetje ongelijk heeft, nog altijd heel basic: wie moet zich hier ten onzent eigenlijk aanpassen aan wie? Het blokdenken uit het verleden kunnen we niet meer goedmaken, dat kwaad is geschied. Maar misschien kunnen we de slinger van de geschiedenis toch nog naar het midden terugbrengen als we van onze normen een prioriteit maken – als dat nog niet te laat is.

Het probleem is hoe dan ook onoplosbaar zolang de mainstream-politici om de hete brij  heen blijven dansen omdat onverdraagzaamheid een bij uitstek Vlaams Belang-thema is. En zolang salonsocialisten de gestaag oprukkende islamisering blijven ontkennen.

Van onverdraagzaamheid hebben we het nu zo ongeveer wel gehad, of niet soms?

29/09/2009

Uit mijn archief

Onderstaande tekst vond ik nog in mijn archief (2008). Nu de oude bomen in de kasteeldreef volop geveld worden (en iedereen hoopt dat dat mooi past in het plaatje van het masterplan Laarne-Kalken), wil ik mij deze oprisping nog even permitteren, met permissie.

———————————————-

Dat  het masterplan voor de herinrichting van de Laarnse dorpskom nog tot 28 augustus kan ingekeken worden, is op zich een goede zaak (krant van 22 augustus). Althans, voor wie tijdens de kantooruren vrij is én goed te been is. Voor een mindervalide is het namelijk een levensgevaarlijke onderneming om gewoon de dorpsstraat over te steken richting gemeentehuis – niet alleen door het verkeer dat onbelemmerd kan doorrazen, maar ook door de verhakkelde stoepen en de kasseistraat die in Parijs-Roubaix niet zou misstaan.

Op 31 mei kwamen in Laarne-Kalken vijfenzestig rolstoelgebruikers en andere mindervaliden samen met hun begeleiders op straat om de (on-)toegankelijkheid en de (onbestaande) aanpassingen voor mindervaliden in de horeca, bij kleinhandelaars, bankkantoren enz. bespreekbaar te maken.  Onderweg ondervonden we overweldigend veel sympathie en begrip, maar even overweldigend veel hinderpalen voor minder mobiele mensen.

In hoeverre het masterplan rekening houdt met de elementaire behoeften van mensen met een functiebeperking, weten wij niet. Het gemeentehuis is voor een mindervalide immers niet autonoom bereikbaar. De informatie is ook op het internet niet beschikbaar.

Of het schepencollege bij het opstellen van het masterplan deskundig advies heeft gevraagd voor de noden van mindervaliden, is niet bekend. Of er plannen bestaan voor de oprichting van een adviesraad voor personen met een handicap, is evenmin bekend. Een verzoek voor een onderhoud met de gemeenteraad over deze en andere onderwerpen werd mij geweigerd, ook al is zo’n ‘burgerinitiatief’ (art. 200bis tot 200quinquies van het Gemeentedecreet) wettelijk perfect mogelijk.

De leden en sympathisanten van de werkgroep ‘Laarne-Kalken Mobiel’ kijken met belangstelling uit naar de invulling van het masterplan – dat ze niet hebben kunnen inkijken.

 

Werkgroep Laarne-Kalken Mobiel
Gerrit De Clercq (voorzitter)
Warande 88
9270 Laarne
http://www.freewebs.com/laarne-kalken-mobiel/

02/09/2009

Over Herman

(Opgediept uit mijn archiefje)

Toegegeven, de voorbije jaren communiceerden we bijna uitsluitend via wenskaarten, en dat lag grotendeels aan mij. Het laatste kaartje dat ik kreeg, had zijn vrouw geschreven: Herman is dood. Gecremeerd en uitgestrooid, onder intimi.

Herman was een flink eind in de tachtig.

Ik moet nu even de klok een paar decennia terugdraaien.

Als Belga-reporter had ik bij de Navo vrij snel mijn draai gevonden. Bewapening, ontwapening, de mythes en de leugens en de realiteit, dat was mijn ding. Ik kende dat. Herman werkte bij UPI dat toen nog een stevige poot in Brussel had, en las mijn stukjes. Mijn features ook, en mijn interviews -  du jamais vu, toen bij Belga. Later zei hij me dat ik een drive had voor die dingen.

Toen ik ook ‘Europa’ moest doen en meteen dreigde te verzuipen in het papier, de rompslomp, de procedures en het vaak onbegrijpelijke taalgebruik, redde hij mij van de verdrinkingsdood. Na mijn eerste briefing bij de Europese Commissie toen ik met een wrong in de maag wegkroop van ellende, klampte hij mij aan. Bij een kop koffie zei hij: “Jongeman, ik zal je eens wat vertellen: zoek de essentie en vertel het verhaal dat de mensen willen weten.” Hij leerde mij die enorme papierbergen, het oeverloze geleuter en de onontwarbare technische kluwens te vertalen in enkele zinnen die iedereen zou begrijpen: de essentie.

Herman schreef in het Engels, maar bij UPI gold ook als regel dat elke zin er moet stààn. Geen ballast, geen bullshit. Hij was viertalig, en hij was de enige die ik ooit op een briefing hoorde vloeken tegen een woordvoerder. Hij had een klare kijk op ingewikkelde dingen, en keek mee over mijn schouder toen ik na mijn eerste Europese ministerraad aan het schrijven ging. “Jongeman, dat is geleuter. Vertaal dat nu eens en cut the crap.” Ik hoor het hem nog zeggen.

Als Herman foeterde, dan werd er geluisterd. Hij had het temperament en de fysiek van Anthony Quinn en een stem als een metaalrasp door te veel sigaren. Te veel whisky misschien ook, want Herman hield van een stevige borrel.

Hij mat ruim twee meter, zijn rug was ietsje gekromd. De last van het verleden, misschien. Als jongeman was hij samen met een maat, later ook collega, naar het Oostfront getrokken. Opgehitst door hysterische pastoors en een paar apen in zwarte uniformen. Moest er voor boeten, betaalde de prijs, en hij raakte de schaduw in zijn ogen nooit helemaal kwijt.

UPI besloot zijn vaste kantoor in Brussel op te doeken en Herman moest vervroegd met pensioen. Ik vroeg hem hoe erg hij dat vond en hij zei: “Weet ge wat jong, ze kunnen allemaal mijne rug op.” Bij momenten was hij een beetje filosoof.

Toen de kankerdood in rechte lijn op hem afkwam, keek hij hem vrank in de ogen. Ik las gisteren nog eens de korte afscheidsbrief die hij aan zijn vrouw had geschreven, voor zijn doodsprentje. Over hoe graag hij haar nog zag en hoe graag hij nog heel even gebleven was bij de mensen die hem dierbaar waren. En dat hij voor de anderen maar een korte mededeling had: “Kiss my ass.”

De essentie.

31/08/2009

Les choses de la vie

 

Mijn ouwe is al meer dan tien jaar dood – putje winter, van zijn koersfiets gedonderd en dan dertien maanden in de coma – en ik merk dat ik steeds minder aan hem denk. Zelfs zijn sterfdatum kan ik niet meer onthouden.

Niet bepaald een vrolijke vriend van de mensheid en vaak ronduit ongenietbaar, maar ook een vent die bij momenten welgemeend “kust mijn kloten” kon zeggen.

Respect.

Een kerstfeest bijvoorbeeld, dat liet hem redelijk koud. Vrede op aarde aan de mensen van goede wil en dat soort dingen, hij geloofde er niet in en ik eigenlijk ook niet, ik heb dat misschien van hem. Mensen zijn niet van goede wil, zo eenvoudig is dat. De beste wensen van de buren, vrienden en collegas die je voor het eerst weerziet na Nieuwjaar met luchtzoenen ter hoogte van de oorschelp maar soms is het ook gemeend en dan zou je wel eens willen lipschuiven of zelfs een tong draaien maar daar moet je met z’n tweeën voor zijn want geef toe, op je eentje in het ijle staan totten, dat is geen zicht. Die beste wensen behoren tot de sociale rituelen en die moet je een beetje in ere houden zoniet kan je maar beter in een hut in het bos gaan wonen.

Ik vond een doodsprentje van mijn ouwe toen ik een kast aan het uitmesten was, een foto die ik nog zelf had genomen notabene, niet dat hij dat leuk vond want hij was niet ijdel maar hij vond ook niet zo veel dingen die ik deed leuk, eerlijk gezegd. Dat ik ooit van Belga naar Het Nieuwsblad verhuisde heeft hij mij nooit vergeven want De Standaard en Het Nieuwsblad dat was één pot nat en De Standaard dat was een zwarte gazet, toen en nu, en gezien het SS-verleden van André Leysen kon ik hem niet helemaal ongelijk geven en ook al probeerde ik hem duidelijk te maken dat ik daarover wel het een en ander gelezen had, zei hij “Jongen, gij hebt den oorlog niet meegemaakt”, en daarmee was de discussie wat hem betrof gesloten.

 Mijn ouwe, die als twintiger samen met zijn pa – die moesten we een beetje op z’n Aalsters petj’n noemen – achter de voordeur van ’t boerenhofje in Burst met de geladen stengun in de aanslag stond terwijl een Duitse patrouille voorbijmarcheerde en ze dachten dat ze voor hen kwamen en voor de twee Britse parachutisten die op de zolder in hun broek zaten te pissen van de schrik, en zo heeft hij er nog gered, maar hij sprak er niet graag over ook al kreeg hij er na de oorlog een medaille voor als ‘gewapend weerstander’. Die heb ik pas later van mijn moeder gekregen toen hij al dood was want hij had ze ergens op zolder weggestopt. Mijn moeder, die hij na de oorlog leerde kennen in Gent waar hij vaker op café zat te pokeren dan in de les zat en toen hij dan toch eens in een overvol auditorium was beland met die gangsterhoed scheef op zijn kop en zij niet wist waar ze moest gaan zitten, zei hij “ge moogt op mijne schoot zitten, maar pas op dat ge mijn pijp niet breekt.” Dat was zijn galante manier om het aan te vragen.

 

De Standaard, dat was er te veel aan, en hij heeft na mijn verhuis niet één keer gevraagd hoe het was op ’t werk of dat soort dingen, want den Duits dat was de Hun en ze hadden het allemaal geweten en ze hadden er niet genoeg voor geboet, bij lange niet. En dat, zei mijn moeder in een onbewaakt moment, was de reden waarom hij nooit ofte nimmer naar Duitsland met vakantie wou. Zijn beste vriend was onder SS-tortuur gestorven en veel vrienden had hij in de jaren veertig niet want in die tijd kon je niet veel mensen vertrouwen. Die vriend, zei mijn moeder, dat was zo’n beetje zijn broer want een broer had hij niet gehad en die vriend had zijn eigen tong afgebeten om zijn maten niet te verraden toen de beul in Breendonk een staaf in zijn gat stak en honderd volt door zijn lijf joeg.

Een van de geneugten van het ouder worden, is dat je onder venten wel eens diepgaande gesprekken kan hebben over de schone kunsten, goede muziek en de recente literatuur. Die gesprekken komen dus steevast terecht bij de madams (Bijna schreef ik wijven, maar dat is te Brusselmansiaans, en de heer HB is de meest talentloze literaire snul van de voorbije eeuw. Ooit kocht ik tegen beter weten in het lijvige ‘Een kus in de nacht’ of zoiets, en na vijftig bladzijden vroeg ik mij nog steeds af: Waar gaat dit eigenlijk over? Over het grote Niets dus. Psychologen noemen dat vrije gedachtenassociatie. Je gaat voor een leeg blad papier zitten of een leeg scherm, en je kwakt er alles op wat door je hoofd flitst. Nu kun je dat natuurlijk doen en auteurs als Miller of Bukowski hebben daar boeken mee volgeschreven maar het verschil is: zij hadden talent. Dat geheel terzijde)

Zo’n gesprek tussen mijn maat en mij verliep ongeveer als volgt:

“Man, een paar weken geleden had ik een straffe ervaring.’

‘Vertel, broeder, vertel, ik hoop dat het over een vrouwmens gaat.’

‘Hoe kun je ’t raden, maat. Stel je voor, ik sta daar aan de kassa van een supermarkt in Wetteren waar ik anders nooit kom. Een vrouw even verder in de rij kijkt me aan en zegt “Gerrit?” Ik stond aan de grond gespijkerd. Die half beloken ogen, die Greta Garbo-look, ik zou ze in geen duizend jaar vergeten.

‘En dan, en dan?’

‘Niks en dan. Ik embrasseerde haar, het was godverdomme een kwart eeuw geleden, schudde een mevrouw de hand die daar toevallig ook stond en er voor de rest niets mee te maken had, en keuvelend over ditjes en datjes en ’t leven en zo slenterden we naar de koude, grijze, winderige parking en ze vroeg of ik tijd had om iets te gaan drinken maar ik zei nee want Annemie was intussen een kledingzaak aan het plunderen en daar moest ik dringend gaan ingrijpen en ze zei dat ze in Wetteren Ten Ede woonde op een kilometer van mijn huis godbetert en ze laadde haar kofferbak vol en weg was ze.’

‘Straf, maat, straf. Zo’n dingen gebeuren, over and out. Maar je bent er precies nog niet goed van…’

‘Jongen, in mijn rijk gevulde mannenleven zijn er drie madams die een afdruk op mijn ziel hebben gelaten, en zij was een van hen.’

‘Leg het op tafel, maat, leg het op tafel.’

‘Ik was zeg maar halfweg mijn universitaire avonturen en zij woonde in Aalst en ze was net afgestudeerd als turnlerares toen ik haar ontmoette op een skivakantie in Oostenrijk. Omdat ik indruk op haar wilde maken ging ik te snel de hellingen af en landde dus vaak op mijn muil in de sneeuw en dat vond ze grappig dus ging ik nog sneller en nog vaker op mijn muil en dan lachte ze haar perfecte tanden bloot en werd ik ondanks de koude steeds geiler maar daar kon ik niets mee doen want mijn ouders waren erbij en zij vonden dat maar niks, hun zoon met een oudere vrouw.’

‘En dan, en dan?’

‘Pas na de vakantie, ik had een mooi ruim kot in Gent, konden we onze liefde consumeren. Ze was gespierd en lenig en ze leerde mij de finessen van het lichamelijk vertier en ik was kennelijk een gretige leerling want ‘s morgens kon ik soms niet meer spleken.’

‘Ik heb er later een einde aan gemaakt op een boertige, brutale manier en daar schaam ik mij nu nog over. Geloof het of niet.’

‘Ach broeder, dat zijn les choses de la vie, zeker?’

‘Zoiets, ja.’

 

07/08/2009

Chelsea had tien tenen

Het beloofde een rustige vlucht te worden. Mits een forse rugwind zouden we meer dan een halfuur winnen, zei de boordcommandant. De overgrote meerderheid van onze medereizigers bleek van Antwerpse origine of daaromtrent, zo bleek uit de keelklanken van roodverbrande mensen die hun vakantieverhalen over temperatuur, eten en de kinderen, kond deden aan al wie het noodgedwongen horen moest. Den Vlaam (Brouwers) ten voeten uit. Ik verheugde mij niettemin op enkele uren lekkere lectuur en een flink dutje. Dat was zonder Chelsea gerekend. Het kind was een jaar of drie oud, zat pal achter mij, samen met mémé en mama, en beheerste een éénlettergrepige woordenschat: “Nee!” Waarbij lieve Chelsea telkens een trap gaf op de rugzijde van mijn stoel. Dat ging van: “Kom Chelsea’ke, ga eens lekker liggen bij mémé.” “NEE!” (Trap) “Kijk eens Chelsea’ke, al die mooie wolkjes…” “NEE!” (Trap) “Zullen we een liedje zingen Chelsea’ke? ‘k Zag twee beren broodjes smeren…” “NEE!” (Trap) “Kijk eens, Chelsea’ke, wat een mooi dekentje de mevrouw voor u heeft gebracht. Zo gaat ge een lekker dutje kunnen doen.” “NEE!” (Trap) En zo ging dat door, uur na uur. Nee-trap-nee-trap. Even zette ik mijn boze-lerarenblik op om over mijn schouder het kreng misschien visueel even te temmen, maar helaas. Chelsea’ke was allerminst onder de indruk en mama en mémé bleken twee beaat glimlachende, zwaarlijvige dames te zijn met paardentanden en buitenmaatse kazoenka’s en Chelsea probeerde – amper onder de indruk van mijn frons – maar heel even weg te kruipen tussen de prammen van mémé. Dat had ik dus gehad. De Golf van Biskaje hadden we intussen gerond en ergens ter hoogte van Parijs kregen mama en mémé het krijswurmpje dan toch tot zwijgen, middels een bizar ritueel waarbij haar tenen werden geteld. Ze had er tien, ik zal het niet gauw vergeten. Chelsea had tien tenen.

07/06/2009

Over Linda

Linda Rogiers (45) is een vertrouwd gezicht in Laarne. Iedereen kent de vrouw in haar rolstoel met dat kleine, witte hondje. “Ik zou nergens anders willen wonen”, zegt ze, “maar voor rolstoelgebruikers is het hier de hel op aarde.”

• Door Gerrit De Clercq

 “Ik heb waarschijnlijk dezelfde ziekte als mijn moeder, maar de diagnose was nooit honderd procent zeker. Mijn moeder belandde vrij vroeg in een rolstoel, ze overleed toen ze 42 was. Mijn vader was en is een gepassioneerde duivenmelker en omdat mijn moeder rolstoelgebonden was, zorgde ik als oudste van de kinderen voor het huishouden, zo ging dat toen. Daardoor was ik ook misschien vroeger rijp dan andere kinderen. De jeugdbeweging, daar kon ik mij uitleven – eerst bij de Roodkapjes, daarna bij de KSJ. Er kwamen ook veel kinderen bij ons over de vloer, we speelden op straat…”

Mollig

“Als tiener kon ik al moeilijk mee in de turnles. Ze dachten dat dat kwam doordat ik mollig was, en mijn ouders hadden ook niet in de gaten dat er iets ernstigs aan de hand was. Ik heb vrij lang normaal kunnen stappen, maar diep vanbinnen wist ik eigenlijk al snel dat er iets grondig mis was. Ik kon er moeilijk over praten, maar na de geboorte van onze tweede dochter ging ik sterk achteruit. Ik was toen eenentwintig.“

“Ik kreeg hevige pijn in mijn nek mijn kinesist zag meteen dat er iets ernstigs aan de hand was: ik kon na de behandeling met moeite rechtstaan. Hij belde meteen mijn huisarts.”

 “In ’87 ben lag ik een maand lang in het UZ in Gent. Het ene onderzoek na het andere. Dan nog duurde het jaren voor de dokters tot een voorlopige diagnose kwamen: spinale musculaire atrofie van het type Kugelberg-Welander, maar dat bleek dan ook weer niet helemaal zeker. Ze zeiden zelfs: gelukkig is het dat niet, want dan kwam je je bed niet meer uit.”

“Toen ik negenentwintig was, moest ik een rolstoel gaan gebruiken. Dat was een rot gevoel maar ze moesten mij ook geen leugens wijsmaken: ik had ook gezien hoe het met mijn moeder gelopen was. Ook al werd er bij ons thuis nauwelijks over gesproken, laat staan of het erfelijk zou zijn. De professor zei trouwens: of je  kinderen hebt of niet, dat heeft er niets mee te maken.”

“De familie merkte wel dat er iets niet klopte, maar ze wisten niet goed wat ze moesten zeggen. Ze schrokken erg, dat wel.”

“Ik had vroeger heel veel vrienden, maar toen mijn toestand erger werd en gewoon samen een koffie gaan drinken al een probleem werd… Ze moesten mij in en uit de auto helpen, naar binnen rijden en zo, en na een tijd bleven ze dan gewoon weg, zo gaat dat. Let wel: ik heb nog een vriendenkring, maar veel kleiner.”

 

Wie jou op straat ziet, ziet meteen ook je hondje Shari.

 

“We zijn onafscheidelijk, hij is onvervangbaar. Zo’n hondje, daar kun je alles aan vertellen. Als hij kon spreken…”

 

“Ik ga veel met hem wandelen, en mensen spreken mij ook makkelijker aan als ik mijn hondje bij me heb. Als ze mij niet kennen, beginnen ze meestal eerst tegen mijn hondje te praten. Of  tegen mijn man, als ze bijvoorbeeld de weg willen vragen. Ik kan dat begrijpen maar het steekt. Ik kan dan mijn mond niet houden, ik antwoord altijd als eerste.”

 

 “Met kinderen heb ik geen problemen, die zijn nieuwsgierig en mogen mij alles vragen. Maar er zijn ook mensen die maken dat ze weg zijn als ze mij zien komen. Zijn ze bang dat ik bij hen zal binnenrijden of wat?”

 

Ga je wel eens een pint pakken?

 

“Ik mag niet drinken, ik moet rijden! (lacht) Maar ik ga wel eens op café, zeker weten. In café Terminus hebben ze een oprijplank gemaakt zodat ik binnen kan. Als ik op vrijdag van de markt kom, dan ligt ze klaar. Ze weten dat ik kom. En in St- Hubert is alles vlak, je kan er zo binnenriijden.”

 

“Ook uitstapjes doen we regelmatig. In feite zijn we ’s namiddags zelden thuis maar echt op reis gaan, dat lukt de laatste jaren niet meer.”

 

Woon je hier graag?

 

“Ik zou nergens anders willen wonen dan in Laarne, maar voor rolstoelgebruikers kan het niet erger zijn dan het nu is. De stoepen, de hobbelige kasseien…

 

 Zonder hulp geraak je het dorp niet door. Als ik bijvoorbeeld naar het gemeentehuis moet, zoek ik de weg met de minste kasseien. Dat is meestal een grote omweg, voor ik aan het hellend vlak van het gemeentehuis geraak.”

 

“En ik hoor van het gemeentebestuur dat de kasseien zullen blijven, ook na de herinrichting van het dorp. Dan zeg ik: voorzie dan toch minstens een vlakke strook voor rolstoelers, maar ik vrees dat het bij kasseien zal blijven. Dat blijft dus schokken en daveren.”

 

“En dan zijn er nog de winkels en de banken waar je niet binnen kan, eigenlijk kan ik zelf geen boodschappen doen. En dat beetje zelfstandigheid, da’s nu net zo belangrijk voor mindervaliden. Maar je kan hier als mindervalide niet normaal functioneren.”

 

En de kerk?

 

“Zo’n gebouw, dat moet toch voor iedereen toegankelijk zijn? Ik wil daar zelfstandig kunnen binnenrijden, en dat is onmogelijk. Er ligt zelfs geen oprijplaat. Ik heb er zelf een maar ik vertik het om ze mee te nemen. Mijn man Omer heeft de pastoor er ook al over aangesproken. Die zegt: Ze komt toch niet naar de kerk. Dat is toch de zaken op hun kop zetten? Trouwens, naar begrafenissen wil ik zeker gaan. Ik ken heel veel mensen en een begrafenis, dat is erg belangrijk voor de sociale contacten.”

 

“De burgemeester heeft laten weten dat de toegang tot het kerkgebouw door het Masterplan mogelijk zou worden. De dorpel van het gebouw is eigendom van de kerk, maar de stoep errond is eigendom van de gemeente, vandaar.”

 

Ben je soms kwaad?

 

“Ik ben van nature optimistisch (lacht). Let wel, ik heb ook moeilijke momenten, maar die kan ik op mijn eentje aan of ik zet ze uit mijn hoofd als ik met mijn hondje ga wandelen. Ik zal niet gauw iemand lastigvallen als ik het moeilijk heb.”

 

“Maar als ik voor de zoveelste keer ondervind verdorie, weeral iets dat niet lukt, ik kan er weer niet op of door! Vuilniszakken die op de stoep de weg versperren, een vluchtheuvel die te steil is: het zijn soms kleine dingen, maar voor ons zijn ze dagelijkse kost. Dan wil ik wel eens vloeken, ja.”

01/06/2009

Ongelooflijk

Ik ben katholiek opgevoed.
Dat wil zeggen: in de prille jaren van mijn lagere school draafde een non in zwart habijt regelmatig door de gangen naast de klassen en ze ramde hevig op de deur van de klas en de non die vooraan stond zei dat dat Zwarte Piet was en dat die ons in zijn zak zou meenemen als we niet braaf zouden zijn. Ik was doodsbang, diep onder de indruk. Dat was pakweg in de tweede helft van de jaren vijftig, en we moesten de tien geboden en de catechismus kunnen afdreunen zoals de kinderen in de koranscholen dat nu ook moeten doen.
Later, toen ik mij op mijn eerste en later op mijn plechtige communie moest voorbereiden, werd ons verteld dat die hostie vlees was en dat we daar zeker niet mochten op kauwen want het was het lichaam van Christus en als we er op kauwden zou er bloed kunnen vloeien en dan waren we voor eeuwig verdoemd. Dat werd ons verteld en wij geloofden dat, dus draaiden we die hostie een beetje rond in de mond en probeerden ze in één hap door te slikken. Dat viel niet altijd mee, want het ding smaakte naar niks. Het lichaam van Christus?
En we moesten al onze zonden opbiechten in de biechstoel. Ook toen ik als tiener in het college zat, en omdat ik vond dat ik eigenlijk niets mispeuterd had, verzon ik maar wat. Want anders zou ik toch nooit in de hemel geraken. Dat maakte indruk. Want die hemel, daar zaten de engelen en de heiligen en daar kregen we rijstepap met gouden lepeltjes en zouden we eeuwig leven in het licht van de Heer.
Zoveel keer gelogen, zoveel keer gevloekt, dat soort dingen. De pastoors, die ik maar door een gerasterd venstertje zag, hadden zonder uitzondering bijzonder veel belangstelling voor onze onkuise gedachten. Ik had een rijke verbeelding, dus verzon ik maar wat, dan was ik ervan af met een paar weesgegroeten en onzevaders.
Gelukkig was ik extern. Een van onze biechtvaders was een jezuiet van Hollandse origine, en als de jongens in zijn biechtstoel in de knoop geraakten met het antwoord op zijn vragen, dan moesten ze ’s avonds eens naar zijn kamer komen. Hoe jonger ze waren, hoe liever hij ze had. Omdat hij moddervet was, had hij de bijnaam ‘de zak’ en de jongens vertelden dan later dat ze hun broek hadden moeten laten zakken en dat hij met hun pietje speelde en het streelde en dat hij zei dat hun kwakje nodig was voor de vergeving van hun zonden.
Ergens ben ik mijn geloof kwijtgeraakt, al weet ik niet precies wanneer ik het kantelmoment moet situeren. Een jongmens krijgt stilaan een ruimere blik op de wereld en gaat dat afwegen tegen de dogma’s die hij als tiener door de strot kreeg geramd, zoiets?
Maar goed, stilaan ging ik balanceren tussen agnosticisme en atheïsme. Dat heeft heel lang geduurd, en ik probeerde er langs filosofen en anderen achter te komen, welke weg ik moest kiezen. Sartre, Camus, dat soort mensen.
Later – ik maak nu even een reusachtige sprong ik de tijd – kreeg ik belangstelling voor sterrenkunde. Ik las boeken over de oerknal, het uitdijende heelal en dies meer en ik begon me af te vragen of daar ooit een wildbehaarde, grijze man van tussen de sterren en planeten zou kunnen opdoemen en brullen “Hélaba, wat is dat hier?” Neen dus, tot bewijs van het tegendeel.
Ik herinner mij een tv-gesprek met ex-jezuiet en moraalfilosoof Etienne Vermeersch. “In de bijbel staat ‘God is almachtig’, hij kan dus alles. Er staat ook ‘God is liefde’, dus hij ziet ons graag. Er staat ook ‘God weet alles’, dus hij kent ons allemaal hoogst persoonlijk. Dan moet ge mij nu toch eens een paar dingen uitleggen”, zei hij (al kan ik hem na al die tijd niet helemaal letterlijk meer citeren, het weze mij vergeven). Hij had het over de manieren waarop en het hoe en waarom mensen andere mensen haten, proberen uit te roeien, rijke mensen arme mensen uitbuiten, in naam van God oorlog gaan voeren enzovoort.
Dat Gods wegen ondoorgrondelijk zijn en dat hij het zelfbeschikkingsrecht van zijn schepsels respecteert, daar trap ik – met alle respect - niet meer in. Zo kan je alles uitleggen.
En toch zijn de pausen van Rome er eeuwenlang mee weggekomen. Ik vind dat zeer bizar, temeer omdat er onder de volgelingen van de katholieke kerk heel veel mensen zijn met een hoog intellectueel gehalte.
In de bijbel en in de koran staat ook – min of meer in dezelfde bewoordingen: alleen wie in mij gelooft, zal het eeuwige leven krijgen. Dat is niet zo banaal als het op het eerste gezicht kan lijken. Want het betekent dat wie niet ‘in mij’ – dus God, of Allah – gelooft, niet in de hemel zal geraken. Geloof in mij, of je bent eeuwig verdoemd. Zo simpel is dat.
Even doordenken: een gore smeerlap (ik noem maar een paar voorbeelden: Pinochet, Franco, Osama bin Laden, Bush), die de leer van de Kerk van Rome of van de islam volgt en trouw op zondag naar de kerk of naar de moskee gaat, kan na zijn dood het eeuwige leven tegemoetzien. Een eenvoudige sterveling die heel zijn volwassen leven probeert te doen wat moreel goed is maar niet gelooft in niet-bewijsbare dogma’s, zal branden in de hel of een vergelijkbare plek van verdoemenis. Kom nou.
Nog even een sprong.
Recent las ik het boek ‘Van God los’ (‘The End of Faith’) van de Amerikaanse filosoof, neuroloog en professor – al kan de combinatie voor ons Eropeanen een beetje bizar lijken – Sam Harris. Zijn credentials zijn overigens makkelijk te checken.
Professor Harris begon zich zoals de meeste Amerikanen na de aanslagen van nine-eleven af te vragen “Waarom haten ze ons zo?” En, als we even doordenken ook: “Waarom haten wij hen zo?”
Ik wil meteen maar zeggen: Harris is geen overjaarse hippie die op de barricaden staat te roepen dat God niet bestaat. Hij is een nuchtere, zakelijke, soms ietwat saaie wetenschapper die de ratio gebruikt in zijn zoektocht naar antwoorden.
Zijn boek begint met een verhaaltje over een jongeman die onder zijn jas een forse springlading verborgen heeft en daarmee op een bus stapt met Joodse kinderen. En zichzelf en die kinderen blijgemoed de lucht laat invliegen. En wiens daad even later door zijn familie wordt bejubeld.
Harris zoekt een verklaring voor die blijdschap.
Om een lang verhaal kort te maken: als iemand gelooft dat de woorden in de koran letterlijk uit de mond van Allah komen, en als die woorden op de juiste manier worden geïnterpreteerd, kan geraak je als mollah al een heel eind weg. Niet-gelovigen mogen vermoord worden, en volgens sommige schriftgeleerden moét dat zelfs.
Hola, zegt Harris, da’s een beetje makkelijk! Laten we die koran nu even naast onze bijbel leggen (hij maakt ook een uitstap naar andere godsdiensten, maar die laat ik even terzijde) en zoeken naar overeenkomsten en gelijkenissen. Akkoord, in de beleving van het geloof en de interpretatie van de teksten uit onze bijbel en de koran zit een décalage van pakweg vijf eeuwen, maar de basis is niet veranderd.
En dan krijg je dit.
Dat onverdraagzaamheid (en dus haat, en dus moord en dus oorlog) in de monotheïstische godsdiensten ingebakken zit. En dus de voornaamste oorzaak is van de meeste ellende die we op aarde meemaken.
Nu kan je zeggen: jaja, dat wist ik wel. Maar Harris legt het zo glashelder uit met bronvermeldingen en letterlijke citaten uit ondermeer de bijbel en de koran dat je bij momenten toch even naar adem gaat happen. En je gaat afvragen of onze kennissen die elke zondag getrouw naar de eucharistieviering of naar de moskee gaan, dat soort dingen niet weten of niet willen weten. En waarom ze dat niet weten of niet willen weten.
En dan begrijp je stilaan beter (hoewel je dat eigenlijk al lang wist) waarom de kruisvaarders in naam van God (‘Dieu le veut’) Jeruzalem wilden bevrijden en onderweg elke Joodse nederzetting die ze tegenkwamen, uitroeiden. Waarom de nazi’s onder de banier ‘Gott mit uns’ zes miljoen Joden uitmoordden en heel Europa wilden onderwerpen. Waarom Pius XII niets deed om de deportatie van Joden uit Italië te verhinderen. Sterker nog: waarom Adolf Hitler nooit geëxcommuniceerd is, en tientallen top-nazi’s na het einde van de Tweede Wereldoorlog met een diplomatiek paspoort van het Vaticaan naar Zuid-Amerika konden ontkomen, waarom de meeste – niet alle – Palestijnen en nogal wat Arabieren de Joden zo ongelooflijk hevig haten dat jongemannen blijgemoed op een bus stappen omdat een schriftgeleerde hen deed geloven dat meervoudige moord hen het eeuwige leven in het aanschijn van Allah garandeert en dat hun familie juichend op straat komt omdat die jongemannen zich, samen met enkele tientallen passagiers, aan bloederige flarden lieten rijten. En waarom vele Palestijnen en Arabieren de VS zo hard haten, en waarom de president van het machtigste land ter wereld elk publiek optreden besloot met ‘God bless America’. En vervolgens ten oorlog trok.
Onverdraagzaamheid (gevoed door betweterigheid en gelijkhebberigheid) zit ingebakken in de heilige schriften van de monotheïstische godsdiensten, leidt onvermijdelijk tot haat en bijgevolg vroeg of laat tot moord en oorlog. In het boek van Sam Harris worden ons op een droge, zakelijke manier argumenten aangereikt om de mechanismen van de haat beter te begrijpen. Althans, om er minstens eens over na te denken, zonder vooroordelen.
Natuurlijk is het onzin dat iemand naar de eeuwige gelukzaligheid wordt gekatapulteerd omdat hij een bus schoolkinderen uitmoordt. En er nog enkele tientallen maagden bovenop krijgt. Dat gelooft toch geen zinnig mens?  Maar hebben de pausen van Rome ons niet eeuwenlang als onwrikbare dogma’s voorgehouden dat een maagd een kind kan baren, dat Christus een dode weer levend kon maken, dat diezelfde Christus op het water kon lopen en hoewel dood en begraven ten hemel is gerezen? En dat zouden we dan wél moeten geloven?
Mocht de wildbehaarde, grijze man tegen alle verwachtingen in toch ooit tussen de sterren en planeten opduiken, dan zou hij wel eens een en ander mogen uitleggen.  Vind ik.

12/05/2009

Gebral & gebrul

Toen mijn lieve vrouw mij probeerde te overhalen om vanavond heel even naar het curiosum Eurosong te komen kijken, zat ik een verdieping boven onze woonkamer. Waardoor dit toonbeeld van wansmaak mij nog even bespaard bleef. Maar de ongein lonkte onontkoombaar. Mijn lieve vrouw hield het nog even vol, vanuit een televisioneel-wetenschappelijke belangstelling. Een beetje zoals een observator van vreemde insectensoorten, vermoed ik. Ik ben getrouwd met een dappere vrouw. Omdat ik tijdens de koffiepauze toch een beetje wil meepraten over dit muzikale onheil, installeerde ik mij met mijn laptop in de keuken, die open met de woonkamer verbonden is. Ik probeerde mij te concentreren op een van mijn schaakprogramma’s, maar helaas. Het ‘Tsjakeboem-tsjakeboem-wakewakewoekewoekedingdong” was té overweldigend, ook voor mijn lieve vrouw die begrippen zoals ‘cultuur’ en ‘muziek’ – als het moet – breed wil interpreteren. Een mens wil met zijn tijd meegaan, en wie zijn wij om neerbuigend te doen over de muzikale prut die ons telkens weer door de strot wordt geduwd middels de vrt? Een mens wil immers tijdens de koffiepauze met de collega’s kunnen meepraten, toch? En dat je van de meeste songs geen kneit begrijpt en dat bevriende landen hoe dan ook voor elkaar stemmen, ach wat zou het?

Niet moeilijk doen, laat de prut maar komen. Tsjakeboem-tsjakeboem. Helloooo Belgium!

Maar geef mij maar toch maar eerlijke rock ‘n’roll en van goede pop ben ik ook niet vies. Neem me niet kwalijk dat ik op dit moment even ga braken.

17/04/2009

Tsjoepke en zotte Pier

“Neem nu Tsjoepke. Ze had als meid gediend bij de familie Vermeulen, een zeer importante familie in de jaren dertig. Zo waren er niet veel, in Kwatrecht. Kwatongen zeiden dat ze de bastaarddochter was van de oude bompa Vermeulen, en dat ze daarom zijn naam mocht dragen. Zo ging dat toen. Tsjoepke Vermeulen dus.”
“En toen was Tsjoepke uit de fleur van haar leven, bompa Vermeulen was dood en ze kon gaan.  Ze kreeg een werkmanshuisje in Den Biezen. Daar woonden de marginalen, de werklozen, het uitschot van ons dorp. In krotten, om eerlijk te zijn. Wij woonden er eigenlijk vlak naast, mijn vader was de meester en wij, zijn kinderen, kwamen zelden buiten het terrein van het schoolgebouw, met het speelplein en de boomgaard. Die van Den Biezen, dat was ons soort volk niet, zei onze pa.”
“Vader kende de familie Vermeulen, maar Tsjoepke, dat was van den duvel. In het dorp zeiden de mensen dat ze een heks was, en pa verbood ons langs haar huis te passeren. En als het niet anders kon, dan moesten we heel hard gaan lopen wanneer ze in haar deurgat verscheen. Dat wilde onze pa en wij moesten gehoorzamen.”
“Of ze een heks was, dat weet ik niet. Maar lelijk was ze wel. Haar neus stond scheef,  ze droeg altijd een soort wollen muts tot over haar oren en ze stonk een uur in de wind. Stinken, zeg ik u, ge hebt er geen gedacht van. Op de stank alleen al kon een blinde haar huisje vinden.”
“Ze had maar één vriend,  zotte Pier. De mensen noemden hem zo omdat hij ‘t zot in zijn kop had en eens betrapt was terwijl hij zijn varken aan het poepen was. Dat werd zo verteld, maar wie dat gezien had, dat weet ik niet meer. Zotte Pier was een beer van een vent, een vierkante rode kop met diepe groeven en rotte tanden, een man van weinig woorden  en hij dronk graag een pint en een jenever maar eigenlijk kon hij niet tegen de drank, en op café werd hij uitgelachen en als de anderen zat genoeg waren, dan sloegen ze op zijn muil. Pier schreeuwde dat ze hem gerust moesten laten en dat hij niets gedaan had maar niemand geloofde hem.”
“En toen Tsjoepke dood was, duurde het een tijd voor ze haar vonden. Want Tsjoepke had geen familie meer, of toch niemand die om haar gaf en de kinderen Vermeulen waren al lang verhuisd naar betere plaatsen.”
“Ze moesten haar keukendeur openbreken omdat er zoveel brol op de vloer lag en de mensen zeiden dat ze het vuil van haar lijf moesten krabben om haar een beetje presentabel te maken en naar het lijkenhuis in Wetteren te transporteren.”
“Later heb ik gehoord dat ze haar in de grond hadden gestopt in een kist van dennenhout met een houten kruis erboven  met alleen haar naam op. En dat zotte Pier de enige was die erbij stond. En dat hij jankte als een gewond beest. En dat ze hem de dag nadien gevonden hebben, opgehangen aan een koord aan de dwarsbalk in zijn schuur.”