Ik ben katholiek opgevoed.
Dat wil zeggen: in de prille jaren van mijn lagere school draafde een non in zwart habijt regelmatig door de gangen naast de klassen en ze ramde hevig op de deur van elke klas en de non die vooraan stond zei dat dat Zwarte Piet was en dat die ons in zijn zak zou meenemen als we niet braaf zouden zijn. Ik was doodsbang, diep onder de indruk. Dat was pakweg halfweg de jaren vijftig, en we moesten de tien geboden en de catechismus kunnen afdreunen zoals de kinderen in de koranscholen dat nu ook moeten doen.
Toen ik mij op mijn eerste en later op mijn plechtige communie moest voorbereiden, werd ons verteld dat die hostie vlees was en dat we daar zeker niet mochten op kauwen want het was het lichaam van Christus en als we er op kauwden zou er bloed kunnen vloeien en dan waren we voor eeuwig verdoemd. Dat werd ons verteld en wij geloofden dat, dus draaiden we die hostie een beetje rond in de mond en probeerden ze in één hap door te slikken. Dat viel niet altijd mee, want het ding smaakte naar niks. Het lichaam van Christus?
En we moesten al onze zonden opbiechten in de biechstoel. Toen ik als tiener in het college zat, en omdat ik vond dat ik eigenlijk niets mispeuterd had, verzon ik maar wat. Want anders zou ik nooit in de hemel geraken. Dat maakte indruk. Want die hemel, daar zaten de engelen en de heiligen en daar kregen we rijstepap met gouden lepeltjes en zouden we eeuwig leven in het licht van de Heer.
Zoveel keer gelogen, zoveel keer gevloekt, dat soort dingen.
De priesters, die ik maar door een gerasterd venstertje zag, hadden zonder uitzondering bijzonder veel belangstelling voor onze onkuise gedachten. Ik had een rijke verbeelding, dus verzon ik maar wat, dan was ik ervan af met een paar weesgegroeten en onzevaders.
Gelukkig was ik ‘extern’. Een van onze biechtvaders was een jezuiet van Hollandse origine, en als de ‘interne’ jongens in zijn biechtstoel in de knoop geraakten met het antwoord op zijn doordringende vragen, dan moesten ze ‘s avonds eens naar zijn kamer komen. Hoe jonger ze waren, hoe liever hij ze had. Omdat hij moddervet was, had hij de bijnaam ‘de zak’ en de jongens vertelden dan later dat ze hun broek hadden moeten laten zakken en dat hij met hun pietje speelde en het streelde en dat hij zei dat hun kwakje nodig was voor de vergeving van hun zonden.
Volledigheidshalve moet ik hier aan toevoegen dat een geestelijke het met mij (ik was een jaar of twaalf-dertien) ook geprobeerd heeft. Toen ik hem aansprak over enkele Grote Levensvragen, liet hij mij tijdens de middagpauze naar zijn kamer komen. Plots toverde hij zijn blote lul tevoorschijn, en probeerde mijn hand er naartoe te brengen. Ik kon mij losrukken en rende de kamer uit en dat was dat.
Ergens ben ik mijn geloof kwijtgeraakt, al weet ik niet precies wanneer ik het kantelmoment moet situeren. Een jongmens krijgt stilaan een ruimere blik op de wereld en gaat dat afwegen tegen de dogma’s die hij als tiener door de strot kreeg geramd, zoiets?
Maar goed, stilaan ging ik balanceren tussen agnosticisme en atheïsme. Dat heeft heel lang geduurd, en ik probeerde er langs filosofen en schrijvers achter te komen, welke weg ik moest kiezen. Sartre, Camus, Kruithof, Vermeersch en anderen.
Later – ik maak nu even een reusachtige sprong ik de tijd – kreeg ik belangstelling voor sterrenkunde. Ik las artikels en boeken over de oerknal, het uitdijende heelal en dies meer en ik begon me af te vragen of daar ooit een wildbehaarde, grijze man van tussen de sterren en planeten zou kunnen opdoemen en brullen “Hélaba, wat is dat hier?”
Neen dus, tot bewijs van het tegendeel.
Ik herinner mij een tv-gesprek met ex-jezuiet en moraalfilosoof Etienne Vermeersch. “In de bijbel staat ‘God is almachtig’, hij kan dus alles. Er staat ook ‘God is liefde’, dus hij ziet ons graag. Er staat ook ‘God weet alles’, dus hij kent ons allemaal persoonlijk. Dan moet ge mij nu toch eens een paar dingen uitleggen”, zei Vermeersch.
Hij had het over de manieren waarop en waarom mensen andere mensen haten, proberen uit te roeien, rijke mensen arme mensen uitbuiten, in naam van God oorlog gaan voeren enzovoort.
Dat Gods wegen ondoorgrondelijk zijn en dat hij het zelfbeschikkingsrecht van zijn schepsels respecteert, daar trap ik al lang niet meer in. Zo kan je alles uitleggen.
En toch zijn de pausen van Rome er eeuwenlang mee weggekomen. Ik vind dat zeer bizar, temeer omdat er onder de volgelingen van de katholieke kerk veel mensen zijn met een hoog intellectueel gehalte.
In de bijbel en in de koran staat – min of meer in dezelfde bewoordingen: alleen wie in mij gelooft, zal het eeuwige leven krijgen. Dat is niet zo banaal als het op het eerste gezicht kan lijken. Want het betekent dat wie niet ‘in mij’ – dus God, of Allah – gelooft, niet in de hemel zal geraken. Geloof in mij, of je bent eeuwig verdoemd. Zo simpel is dat.
Even doordenken: gore individu’s (ik noem maar een paar voorbeelden: Mussolini, Pinochet, Franco, Milosevic, Osama bin Laden, Bush) die de leer van de Kerk van Rome of van de islam volgen, kunnen na hun dood het eeuwige leven tegemoetzien. Een eenvoudige sterveling die heel zijn volwassen leven probeert te doen wat moreel goed is maar niet gelooft in niet-bewijsbare dogma’s, zal branden in de hel of een vergelijkbare plek van verdoemenis. Kom nou.
Nog even een sprong.
Recent las ik het boek ‘Van God los’ (‘The End of Faith’) van de Amerikaanse filosoof en professor Sam Harris.
Harris begon zich zoals de meeste Amerikanen na de aanslagen van nine-eleven af te vragen “Waarom haten ze ons zo?” En, als we even doordenken ook: “Waarom haten wij hen?”
Ik wil meteen maar zeggen: Harris is geen overjaarse hippie die op de barricaden staat te brullen dat God niet bestaat. Hij is een nuchtere, zakelijke, soms ietwat saaie wetenschapper die de ratio (= redeneringen, argumenten) gebruikt in zijn zoektocht naar antwoorden. Kortom, een eerlijke intellectueel en nergens kortzichtig.
Zijn boek begint met een verhaaltje over een jongeman die onder zijn jas een forse springlading verborgen heeft en daarmee op een bus stapt met Joodse kinderen. En zichzelf en die kinderen blijgemoed de lucht laat invliegen. En wiens daad even later door zijn familie wordt bejubeld.
Harris zoekt een verklaring voor die blijdschap.
Om een lang verhaal kort te maken: als iemand gelooft dat de woorden in de koran letterlijk uit de mond van Allah komen, en als die woorden op de juiste manier worden geïnterpreteerd, dan geraak je als imam of mollah al een heel eind weg. Niet-gelovigen mogen vermoord worden, en volgens sommige fundamentalistische schriftgeleerden moét dat zelfs. En: tegen niet-gelovigen mag je liegen.
Hola, zegt Harris, da’s een beetje makkelijk! Laten we die koran nu even naast de bijbel leggen (hij maakt ook een uitstap naar andere godsdiensten, maar die laat ik terzijde) en zoeken naar overeenkomsten en gelijkenissen. Akkoord, in de beleving van het geloof en de interpretatie van de teksten uit de bijbel en de koran zit een décalage van pakweg vijf eeuwen, maar de basis is niet veranderd.
En dan krijg je dit.
Dat onverdraagzaamheid (en dus haat, en dus moord en dus oorlog) in de monotheïstische godsdiensten ingebakken zit. En dat godsdienst dus de voornaamste oorzaak is van de meeste ellende die we op aarde meemaken.
Nu kan je zeggen: jaja, dat wist ik wel. Maar Harris legt het zo glashelder uit met historische feiten, bronvermeldingen en letterlijke citaten uit ondermeer de bijbel en de koran dat je bij momenten toch even naar adem gaat happen. En je gaat afvragen of onze kennissen die elke zondag getrouw naar de eucharistieviering of op vrijdag naar de moskee gaan, dat soort dingen niet weten of niet willen weten. En waarom ze dat niet weten of niet willen weten.
En dan begrijp je stilaan beter (hoewel je dat eigenlijk al lang wist) waarom de kruisvaarders in naam van God (‘Dieu le veut’) Jeruzalem wilden bevrijden en onderweg elke Joodse nederzetting die ze tegenkwamen, uitroeiden. Waarom de Duitsers onder de banier ‘Gott mit uns’ ongeveer zes miljoen Joden uitmoordden en achteraf beweerden dat ze ’t niet geweten hadden terwijl er honderdduizenden ambtenaren betrokken waren bij de administratieve en logistieke organisatie van de Endlösung.
Waarom Pius XII niets deed om de deportatie van Joden uit Italië te verhinderen. Sterker nog: waarom Adolf Hitler nooit geëxcommuniceerd is (terwijl de lichtjes dissidente wetenschapper en sterrenkundige Galileo Galilei pas in 1992 kerkelijk gerehabiliteerd werd), waarom tientallen top-nazi’s na het einde van de Tweede Wereldoorlog met een diplomatiek paspoort van het Vaticaan naar Zuid-Amerika konden ontkomen, waarom de meeste – niet alle – Palestijnen en nogal wat Arabieren de Joden zo hevig haten dat jongemannen blijgemoed op een bus stappen omdat een schriftgeleerde hen deed geloven dat meervoudige moord hen het eeuwige leven in het aanschijn van Allah garandeert en dat hun familie juichend op straat komt omdat die jongemannen zich, samen met enkele tientallen passagiers, aan bloederige flarden lieten rijten.
En waarom de president van het machtigste land ter wereld elk publiek optreden besloot met ‘God bless America’. En vervolgens ten oorlog trok.
Onverdraagzaamheid (gevoed door betweterigheid en gelijkhebberigheid) zit ingebakken in de heilige schriften van de monotheïstische godsdiensten, leidt onvermijdelijk tot haat en bijgevolg vroeg of laat tot moord en oorlog. In het boek van Sam Harris worden op een droge, zakelijke manier argumenten aangereikt om de mechanismen van de haat beter te begrijpen. Althans, om er minstens eens over na te denken, zonder vooroordelen.
Natuurlijk is het onzin dat iemand naar de eeuwige gelukzaligheid wordt gekatapulteerd omdat hij een bus schoolkinderen uitmoordt. En er in zijn hiernamaals nog enkele tientallen maagden bovenop krijgt. Dat gelooft toch geen zinnig mens? Maar hebben de pausen van Rome ons niet eeuwenlang als onwrikbare dogma’s voorgehouden dat een maagd een kind kan baren (al kwam er ergens een duif aan te pas, als ik mij goed herinner), dat Christus een dode weer levend kon maken, dat diezelfde Christus op het water kon lopen en hoewel dood en begraven ten hemel is gerezen? En dat zouden we dan wél moeten slikken? Toch hebben we het eeuwenlang geslikt.
En heeft de katholieke Kerk tot enkele eeuwen geleden niet mits kleine en grote tortuur talloze mannen en vrouwen dingen laten bekennen die ze niet gedaan hadden, hen vervolgens laten radbraken, vierendelen of op de brandstapel laten doodroosteren in de schaduw van het kruis? Lang geleden? Te lang geleden? Of schiet ons historische geheugen een beetje tekort als het ons goed uitkomt?
Aan de recente mensenzee op het Sint-Pietersplein (plus de kijkcijfers) was te zien dat zovele mensen liever de prietpraat van een man in een karnavalspak geloven dan zelf eens zonder slogans, nuchter en rationeel na te denken en te argumenteren. Of minstens een poging doen.
En misschien zouden we dan ook tot een begin of een poging tot een antwoord kunnen komen, waarom de Kerk al tientallen jaren tolereert dat geestelijken kinderen in hun broekje zitten. Heeft er niks mee te maken? Heeft er heel veel mee te maken. Even nadenken, graag. Het gaat over macht en godsdienst, zo simpel is dat.
Waarom de huidige paus Ratzinger zijn voorganger Johannes Paulus II (hierna genoemd JP2) nu in ijltempo zalig en dus heilig wil verklaren, is mij een raadsel (kennelijk niet voor de duizenden gillende en krijsende fans op het Sint Pietersplein en aanpalende straten die met een nat broekje en tranen in de ogen naar het geprevel van een oude man op een balkon staan te luisteren).
In een paginabreed opiniestuk in DS van vorige zaterdag, geven Dirk Verhofstadt en Peter Nissen enkele argumenten waarom dat eigenlijk niet kan. Ondermeer de zaligverklaring van de Kroatische aartsbisschop Stepinac (die de dictator en massamoordenaar Ante Pavelic – verantwoordelijk voor de moord op bijna 800.000 mensen – steunde), het feit dat bevrijdingstheologen aan banden werden gelegd en vervangen door conservatieven, het verzet van JP2 tegen het gebruik van voorbehoedsmiddelen (vooral condooms) in Afrika, waar in de jaren ’70 en ’80 miljoenen mensen stierven ten gevolge van aids.
En ten slotte: de cultuur van geheimhouding waardoor gerapporteerde gevallen van seksueel misbruik door geestelijken, binnen de Congregatie van de Geloofsleer moesten gehouden worden (en in bijna alle gevallen in de doofpot gestopt werden). Weinig mensen weten (Verhofstadt en Nissen weten dat wel) dat JP2 op 30 april 2001 daartoe de brief ‘Motu Proprio Datae Quibus Normae De Gravioribus Delictis’ schreef, waardoor het seksueel misbruik van kinderen de facto aan het gewone gerecht onttrokken werd. En de daders met een gerust geweten konden slapen, want er zou toch niets gebeuren.
Mocht de wildbehaarde, grijze man tegen alle verwachtingen in toch ooit tussen de sterren en planeten opduiken, dan zou hij wel een en ander mogen uitleggen.
Vind ik.
