Wijlen de kikker

Enkele dagen geleden vond ik een dode kikker in onze vijver. In spreidstand, zeg maar, zoals je weleens een lijk ziet dobberen in een crimi op tv. Toen ik hem met mijn schepnetje uit het water haalde, gaf hij geen kik, hij was dus wel degelijk kikkerdood (bovendien zag hij er zeer bleekjes uit).

Wat doet een mens met een dode kikker? Ik heb daar geen ervaring mee.

Een dode vogel, bijvoorbeeld door een kat om zeep geholpen, wil ik wel eens in het maisveld (min of meer tegenover ons huis) kieperen op een moment dat ik zeker weet dat niemand mij ziet. Want geef toe, het is geen zicht.

Een dode vogel kan, breed geïnterpreteerd, nog als een soort bemesting worden beschouwd. Maar wat als dat maisveld verkaveld wordt voor woonhuizen? Waar moet ik dan met mijn dode vogels heen? Jonge vogels zonder vliegervaring willen zich namelijk weleens te pletter vliegen tegen onze ramen. Ik kan ze toch niet over de haag kieperen bij de buurman (al is zo’n bizar soort humor mij niet vreemd, ooit kieperde ik een reusachtige en vastgevroren hondendrol van onze bouvier over de muur bij de buren toen we nog in Gent woonden. Het was putje winter en het was niet kwaad bedoeld, maar ik heb me wel een breuk gelachen.)

Maar mijn buren mogen gerust zijn, ik zal geen dode vogel over de haag kieperen. Dus ook geen dode kikker.

Wat ik dan met het kikkerlijk gedaan heb? Een beetje radeloos (ik had nog nooit een kikkerlijk begraven), heb ik hem in onze gft-bak gedeponeerd, in afwachting van de volgende ophaalbeurt. Ik zou hem bij gelegenheid wel toedekken met gras, onkruid en andere tuinrommel zodat de ophaaljongens (m/v) niet zouden schrikken, dacht ik.

Toen ik vanmorgen een rest sla, paprika en zo in de bak wilde kieperen, zag ik hem liggen, wijlen de kikker. Bedolven onder een honderdtal, wat zeg ik, duizendtal maden: wriemelende kleine witte hyperkinetische wormpjes die het kikkerlijk aan het verhapstukken waren. Vies, buitengewoon vies.

Rest de vraag, hoe de kikker aan zijn einde is gekomen.

Eerlijk gezegd verdenk ik onze tuintrol, Prosper. Doorgaans zit-ie steenkoud voor zich uit te staren (hoewel ik hem eerder al eens verdacht van lustgevoelens voor het eendje Kwik – zie verder), maar met trollen weet je nooit. Trollen hebben mij in het beroepsleven al eens maagzuur gegeven.

Geef een reactie

Opgeslagen onder Zonder categorie

Geef een reactie

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log Out / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log Out / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log Out / Bijwerken )

Verbinden met %s